Als onafhankelijk advocatenkantoor zijn wij gespecialiseerd in de begeleiding van vermogende particulieren. Daarbij zoeken wij steeds naar een cliëntgerichte oplossing voor de meest complexe juridische zaken. Eenvoudige oplossingen waar mogelijk, meer uitgekiende oplossingen indien vereist.
Onze ervaring, gekoppeld aan onze expertise en veelzijdige aanpak leiden tot een perfecte structurering van uw vermogen en een optimale verdediging in rechte.
Wij ontmoeten u graag in onze vestigingen in Brussel, Waregem en Sint-Martens-Latem.
Welkom bij Delboo Deknudt Advocaten.
Guillaume behaalde zijn diploma van Licentiaat in de Rechten, cum laude, aan de Katholieke Universiteit Leuven en zijn aanvullend diploma Fiscaal Recht, magna cum laude, aan de Université Libre de Bruxelles. Hij heeft, naast zijn ervaring in vermogensplanning, een uitgebreide ervaring in procedures vereffening-verdeling van huwelijksvermogensstelsels en nalatenschappen. Guillaume is auteur van diverse bijdragen in de vakliteratuur. Hij is tevens verbonden aan het Instituut voor Familiaal Vermogensrecht van de Katholieke Universiteit Leuven.
Guillaume Deknudt
deknudt@delboodeknudt.be
Sven behaalde zijn diploma van Licentiaat in de Rechten, magna cum laude, aan de Universiteit van Gent en zijn Master's diploma Fiscaal Recht, cum laude, aan de Universiteit van Antwerpen. Hij adviseert Vlaanderens meest vermogende families bij de structurering en verdere uitbouw van hun vermogen, waarbij hij in hoofdzaak focust op de fiscale optimalisering hiervan.
Hij publiceert zeer regelmatig in de fiscale vakliteratuur en won hierbij zowel in 2007 als in 2011 de prestigieuze T.F.R.-prijs.
Op 1 januari 2011 trad hij toe als vennoot van het kantoor.
Sven Nelis
nelis@delboodeknudt.be
Fien behaalde in 2008 haar diploma van Master in de rechten, cum laude, aan de Universiteit Gent. Gedurende haar laatste jaar studeerde zij tevens zes maanden aan de Université de Paris X Nanterre te Parijs. In 2009 behaalde zij haar Master na Master diploma fiscaal recht, cum laude, tevens aan de Universiteit Gent.
Fien Bothuyne
bothuyne@delboodeknudt.be
In 2010 behaalde Lies haar diploma van Onthaal & PR-Assistant. Zij verzorgt de dagdagelijkse administratieve taken.
Lies Ameye
ameye@delboodeknudt.be
Bij betwistingen tussen samenwonenden is het een gekende problematiek. De ene partner heeft in het verleden schenkingen gedaan aan de andere en wenst deze, gelet op de stukgelopen relatie, terug te draaien. Dit blijkt echter niet eenvoudig te zijn. Anders dan bij gehuwden, waar schenkingen gedaan tijdens het huwelijk buiten huwelijkscontract ten allen tijde ad nutum herroepbaar zijn, is deze regel (art. 1096 B.W.) niet van toepassing voor samenwonenden. In dit verband werd en wordt veelal een beroep gedaan op de theorie van het verval van oorzaak. De relatie is stukgelopen en dus is meteen ook de determinerende beweegreden, de oorzaak, van de schenking vervallen.
Bij arrest van 16 november 1989 had het Hof van Cassatie deze theorie inzake schenkingen aanvaard. Nadien en tot op heden werd deze theorie eveneens aanvaard door de verschillende Hoven van Beroep. Deze grond om de schenking alsnog terug te draaien kreeg echter een eerste deuk met het cassatiearrest van 21 januari 2000. Dit arrest - dat weliswaar (hoofdzakelijk) betrekking had op het verval van oorzaak bij een testament - stelde immers als bijkomende voorwaarde dat het verval van oorzaak vóór het overlijden van de testator moest plaatshebben (dus vóór het definitief worden van het testament). De rechtsleer stelde dan ook meteen de vraag of de theorie van het verval van oorzaak inzake schenkingen nog wel gold na dit arrest (gelet op het feit dat aanbod en aanvaarding inzake schenkingen meestal gelijktijdig plaatsvinden, waardoor de schenking meteen definitief wordt).
Met het arrest van 12 december 2008 brengt het Hof van Cassatie nu (terugkomend op de rechtspraak van 1989 en 2000) in volgende duidelijke bewoordingen de doodsteek toe aan de theorie van het verval van oorzaak: ‘Het bestaan van een oorzaak in de zin van de artikelen 1108 en 1131 van het Burgerlijk Wetboek moet in beginsel worden beoordeeld op het ogenblik van de totstandkoming van de rechtshandeling waarvan zij een geldigheidsvereiste is. De latere verdwijning ervan heeft in de regel geen gevolgen voor de geldigheid van de rechtshandeling. Dit geldt ook voor schenkingen onder de levenden. Schenkingen kunnen daarenboven slechts worden herroepen dan in de omstandigheden geviseerd bij artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek.' Wellicht heeft dit arrest eveneens zijn gevolgen voor het verval van oorzaak inzake testamentaire beschikkingen.
Met dit arrest lijkt derhalve een belangrijk aanvalsmiddel tegen het verderbestaan van schenkingen tussen samenwonenden, na de tussengekomen breuk in de relatie, te zijn ontnomen.
Nochtans hoeft de strijdbijl als gevolg van dit arrest niet meteen te worden begraven en blijven er toch diverse belangrijke argumenten voorhanden om de definitief gewaande schenking aan te vallen. Wel lijkt het aangewezen de pijlen niet (langer) enkel te richten in de richting van het verval van oorzaak. Meer dan ooit is een verruimde aanvalsblik nodig.
Preventief, in het kader van een vermogensplanning, hoeft het geen betoog dat 1) een schenking via notariële akte en 2) een uitgebalanceerde clausulering van deze akte meer dan ooit aan te raden is.
De verkoop van een onroerend goed is gerealiseerd van zodra er tussen koper en verkoper een overeenkomst is bereikt omtrent de zaak en de prijs. Van zodra de compromis is ondertekend - en in principe zelfs van zodra er een mondelinge overeenkomst is bereikt omtrent de zaak en de prijs - is derhalve het registratierecht van (in Vlaanderen) 10% verschuldigd; de notariële akte is enkel nog vereist om de verkoop tegenstelbaar te maken aan derden.
Het komt echter vaak voor dat de koper zich na de ondertekening van de compromis nog bedenkt en het onroerend goed niet wenst aan te kopen in eigen naam maar bijvoorbeeld wel op naam van zijn kinderen (eventueel slechts voor de blote eigendom) of op naam van zijn vennootschap (eventueel slechts voor het vruchtgebruik). Indien de authentieke akte echter wordt getekend door een andere persoon dan diegene die in de compromis vermeld staat, wordt dit door de Administratie gezien als een wederverkoop, waardoor het registratierecht een tweede keer verschuldigd wordt.
Om deze strenge regeling te milderen, ligt er thans een ontwerp van Vlaams decreet voor dat het mogelijk moet maken om toch nog af te wijken van hetgeen in de compromis werd bepaald zonder daarbij fiscaal te worden afgestraft. De krachtlijnen van dit ontwerp laten zich als volgt samenvatten:
Er zij opgemerkt dat er vooralsnog geen klaarheid is aangaande het ogenblik waarop het nieuwe decreet in werking zal treden. Diegenen die recent een compromis hebben ondertekend en dit alsnog wensen te wijzigingen, dienen derhalve nauwgezet de voortgang in de werkzaamheden van het Vlaams Parlement in de gaten te houden en daarop hun handelingswijze af te stemmen.
Bij het plannen van het vermogen naar de volgende generatie wordt nogal vaak - teneinde de controle te behouden voor de schenker(s) - gebruik gemaakt van de burgerlijke maatschap.
De recente praktijk leert dat daarbij meer en meer de vraag wordt gesteld of het aldus in de maatschap ingebrachte en doorgeschonken vermogen toelaat een levensverzekering af te sluiten en wat daarbij het fiscale prijskaartje is.
De problematiek werd door ons nader geanalyseerd* en kan onzes inziens perfect worden ingepast in een vooropgestelde planning.
Wel is het van het grootste belang, zowel vanuit burgerrechtelijk als vanuit fiscaal perspectief de statuten van de burgerlijke maatschap alsook de verzekeringspolis accuraat te formuleren.
Voor wat betreft het burgerrechtelijk luik denke men bijvoorbeeld aan het centraliseren van de macht over de verzekeringspolis bij de zaakvoerder(s) van de maatschap (teneinde te vermijden dat de verzekeringspolis zou kunnen geblokkeerd geraken). Tevens moet ook ingeval van aanwezigheid van minderjarigen nauwgezet te werk worden gegaan.
Voor wat betreft het fiscale luik komt het ons aangewezen voor het geheel glashelder te redigeren en uit te werken. Bij de investering in een levensverzekering, leidt de tussenplaatsing van een maatschap er dan niet toe dat bijkomende belastingen (bijvoorbeeld successierechten op basis van art. 8 W. Succ., inkomstenbelastingen, of nog de premietaks) zouden zijn verschuldigd. Voor dit laatste kan echter niet genoeg benadrukt worden dat het geheel voor de fiscus perfect traceerbaar en controleerbaar dient te zijn (dit bleek overigens eveneens uit de circulaire inzake de levensverzekering en het recht van terugkeer eerder dit jaar).
In de mate aan het geheel een goede uitwerking wordt verleend, vormt de burgerlijke maatschap dan ook geen enkele barrière voor de investering in een levensverzekering.
* Wij verwijzen daarbij naar te verschijnen bijdrages van onze hand in het Algemeen Fiscaal Tijdschrift en in het Fiscaal Praktijkboek Indirecte Belastingen.
Uitkeringen uit levensverzekeringscontracten worden door de begunstigde niet verkregen uit de nalatenschap van de erflater-verzekeringnemer maar wel rechtstreeks van de verzekeraar. In principe zouden zij dan ook niet belastbaar zijn in de successierechten, ware het niet dat art. 8 van het Wetboek Successierechten dergelijke uitkeringen fictief gelijkstelt met een legaat en op die manier toch aan successierechten onderwerpt.
Art. 8 van het Wetboek Successierechten laat evenwel in zijn laatste lid de mogelijkheid om de uitkering uit een levensverzekering toch vrij van successierechten te houden. Daartoe is vereist dat de begunstigde van deze uitkering deze uitkering bij leven van de verzekeringnemer aanvaardt - hetgeen kwalificeert als een (onrechtstreekse) schenking - en dat deze aanvaarding vervolgens ter registratie wordt aangeboden. Een aanzienlijke fiscale besparing is daarmee een feit, want in plaats van successierechten tegen hoge progressieve tarieven, kan men in dat geval volstaan met de betaling van schenkingsrechten tegen een vlak tarief van nauwelijks 3% (in de rechte lijn en tussen echtgenoten) dan wel 7% (tussen anderen).
Sinds 1 januari 2005 dient de hierboven beschreven planningsmethodiek in het Vlaams Gewest evenwel te worden herbekeken in het licht van het nieuwe fictielegaat van art. 4,3° van het Wetboek Successierechten. Deze bepaling stelt immers alle schenkingen van roerende goederen die de overledene tijdens zijn leven heeft verricht onder de opschortende voorwaarde die wordt vervuld ingevolge zijn overlijden, voortaan gelijk met een legaat en onderwerpt ze aan successierechten. Aldus zal het voor een groot deel van de levensverzekeringscontracten waarbij de verzekeringnemer tevens het verzekerd hoofd maar niet tegelijk de begunstigde is, niet langer volstaan om de aanvaarding van de begunstiging te laten registreren om aan successierechten te ontsnappen. Mits aanvaard, zijn dergelijke levensverzekeringscontracten waarbij de verzekeringnemer tevens het verzekerd hoofd maar niet tegelijk de begunstigde is, immers dikwijls te ontleden als (onrechtstreekse) schenkingen onder de opschortende voorwaarde die wordt vervuld ingevolge het (vóór)overlijden van de verzekeringnemer-verzekerd hoofd-schenker.
Het nieuwe fictielegaat van artikel 4,3° van het Wetboek Successierechten kan o.i. evenwel niet de geregistreerde aanvaarding van alle levensverzekeringen treffen waarbij de verzekeringnemer tevens het verzekerd hoofd maar niet tegelijk de begunstigde is. Als fictielegaat is het immers van strikte toepassing waardoor de verstandige successieplanner, gebruikmakend van de specifieke juridische concepten ("onder de opschortende voorwaarde") en bewoordingen ("die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker") die door de decreetgever werden gehanteerd, de uitkering uit een levensverzekering toch nog kan laten registreren zonder daarbij in de valkuil van art. 4,3° van het Wetboek Successierechten te trappen. Het spreekt voor zich dat daarbij de grootste zorg dient te worden besteed aan de (her)formulering van de begunstigingsclausule en aan de voorschriften die de Landverzekeringswet in dat verband bevat.
Zie voor een meer genuanceerde en gedetailleerde uiteenzetting over de valkuil van art. 4,3° W.Succ. en over hoe die te vermijden: S. NELIS en M. DELBOO, "Registratie aanvaarding levensverzekeringen: over de valkuil van art. 4,3° W.Succ.", Nieuwsbrief Successierechten 2007, 8/7 - 8/12.
Op 18 mei treedt de wet van 28 maart 2007 in werking die een erfrecht invoert voor de langstlevende van de wettelijk samenwonenden.
Door deze wet verkrijgt de langstlevende het vruchtgebruik van de woning die tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad (dus zonder dat dit nog bij testament moet worden voorzien). Dit erfrecht betreft echter - in tegenstelling tot hetgeen het geval is voor gehuwden - geen reservatair erfrecht, maar slechts een wettelijk erfrecht. Het wettelijk voorziene erfrecht voor de wettelijk samenwonenden kan dus aan de langstlevende worden ontnomen bij testament.
Net zoals bij gehuwden, kunnen samenwonenden via schenking of testament wel de reserve van hun ouders uitschakelen. Met de reserve van de kinderen dient echter, net zoals bij gehuwden, wel rekening te worden gehouden.
Van belang is vooreerst de vaststelling dat het wettelijk erfrecht door deze nieuwe wet enkel de wettelijk samenwonenden betreft. Dit is anders in Vlaanderen voor wat betreft de vrijstelling van successierechten voor de gezinswoning tussen echtgenoten en samenwonenden. Van deze regeling, die per 1 januari 2007 in werking trad, kunnen ook - zij het onder bepaalde voorwaarden - de feitelijk samenwonenden genieten.
Een tweede vaststelling is dat de vrijstelling voor wat betreft de gezinswoning niet volledig zal worden benut door wettelijk samenwonenden indien zij zich beperken tot het wettelijk erfrecht, met name enkel ten belope van het vruchtgebruik Ook voor hen, net zoals voor de feitelijk samenwonenden, zal het van belang zijn bijkomend in een planning te voorzien.
De optimalisatie van de vrijstelling van de gezinswoning in de Vlaamse successierechten tussen partners vereist bovendien een specifieke aandacht. De tussen samenwonenden bestaande bedingen van aanwas kunnen best nader worden geëvalueerd en geoptimaliseerd, teneinde 10% registratierechten te vermijden. Ook het feit dat de vrijstelling van de gezinswoning wel speelt tussen de partners onderling, maar niet naar de kinderen toe, kan worden opgevangen met een terdege uitgewerkte planning.
Tot slot moet nog worden gewezen op de verduidelijkingen door de Circulaire nr. 4/2007 van 21 februari 2007 betreffende deze vrijstelling, ondermeer voor wat betreft de ‘aanhorigheden' van de gezinswoning.
Meerwaarden op aandelen zijn in beginsel belastingvrij, tenzij ingeval van speculatie of bij ‘constructies' waar geen sprake meer is van normaal beheer van privé-vermogen. In die omstandigheden zal de fiscus de meerwaarde belasten aan 33 %. De fiscale wet stelt daarnaast ook meerwaarden uit een zogenaamd "aanmerkelijk belang" belastbaar.
Deze laatste regeling (art. 90,9° WIB) komt er op neer dat natuurlijke personen belastbaar zijn op meerwaarden gerealiseerd bij de overdracht van Belgische aandelen in hun privé-bezit aan een buitenlandse rechtspersoon, dit tegen een tarief van 16,5 %. Vereist is dat het aandelenpakket op het ogenblik van de overdracht of op enig tijdstip in de loop van de vijf voorgaande jaren een participatie van tenminste 25 % vertegenwoordigt. Bij de berekening van deze participatiedrempel dient tevens rekening gehouden te worden met aandelen in bezit van de echtgeno(o)t(t)e en naaste familieleden.
Naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen stelde het Europese Hof van Justitie op 8 juni 2004 in de zaak De Baeck (Beschikking van 8 juni 2004, zaak nr. C-268/03, J.-L. De Baeck) dat de Belgische ‘aanmerkelijk belangheffing' in strijd is met het Europees recht, meer bepaald met de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal, aangezien de overdracht van de betrokken aandelen of deelbewijzen aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap daardoor minder aantrekkelijk is. Immers, indien de aandelen zouden overgedragen worden aan een Belgische vennootschap, dan zou er geen belastingheffing plaatsvinden.
Uit enkele beslissingen van de Dienst voor Voorafgaande Akkoorden (kortweg de rulingcommissie) na het arrest van het Europese Hof van Justitie bleek reeds dat de Administratie in die gevallen die aan de rulingcommissie werden voorgelegd de belasting niet meer invorderde bij een overdracht van een deelneming aan een rechtspersoon gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie. (o.a. ruling nr. 600.299 dd. 22.08.2006). Aangezien een ruling echter in principe enkel geldt voor het geval dat wordt voorgelegd aan de rulingcommissie, was het tot op heden echter niet zeker of de Belgische belastingadministratie artikel 90, 9° WIB 92 nog zou toepassen in gelijkaardige gevallen.
In haar Circulaire nr. Ci. RH. 251/567.506 van 14 maart 2007 bevestigt de Belgische belastingadministratie uitdrukkelijk dat ingevolge de beslissing van het Europese Hof van Justitie, artikel 90, 9° WIB 92 niet meer kan worden toegepast, wanneer aandelen worden overgedragen aan een EU-vennootschap. De belastingadministratie gaat zelfs verder en breidt de niet-toepasbaarheid van artikel 90, 9° WIB uit tot overdrachten aan vennootschappen die hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte hebben.
De uitspraak van het Europese Hof van Justitie en het standpunt van de Belgische belastingadministratie hebben dus als gevolg dat het fiscaal aantrekkelijker wordt om Belgische bedrijven te verkopen aan buitenlandse ondernemingen binnen de Europese Economische Ruimte.
De Kamer heeft recent een wetsontwerp goedgekeurd dat ertoe strekt het erfrecht te regelen tussen wettelijk samenwonenden. Dit zijn personen die overeenkomstig artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Tot op heden heeft een dergelijke verklaring geen gevolgen op het vlak van de erfopvolging. Wettelijk samenwonenden hebben geen enkel wettelijk erfrecht op elkaars nalatenschap, ongeacht de erfgenamen met wie de overlevende samenwonende tot de nalatenschap komt. In alle gevallen waarin er geen bloedverwantschap tussen de samenwoners bestaat, komen zij dus niet tot elkaars nalatenschap. De samenwoners kunnen elkaar wel begunstigen bij schenking of testament maar in aanwezigheid van reservataire erfgenamen kunnen zij maar over een beperkt deel van hun nalatenschap beschikken.
Het wetsontwerp beoogt vooreerst een wettelijk erfrecht in te voeren enkel ten voordele van wettelijk samenwonende partners. De langstlevende verkrijgt (dus zonder dat dit bij testament moet worden voorzien) het vruchtgebruik van de woning die tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad. Net als bij echtgenoten kan het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijk samenwonende op de gemeenschappelijke verblijfplaats en het daarin aanwezige huisraad nooit worden omgezet dan met instemming van de langstlevende wettelijk samenwonende. De langstlevende samenwonende verkrijgt er echter, in tegenstelling tot de langstlevende echtgenoot, geen reservataire rechten op.
Het wetsontwerp bepaalt verder dat de langstlevende wettelijk samenwonende als enige, met uitzondering van alle overige erfgenamen, de huurovereenkomst verkrijgt die de vooroverleden wettelijk samenwonende partner heeft afgesloten met betrekking tot de woning die het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende.
Daarnaast worden enkele bepalingen die momenteel van toepassing zijn op echtgenoten, ook van toepassing verklaard op wettelijke samenwoners.
Zo voorziet het wetsontwerp dat de ascendenten van de eerstgestorven samenwonende partner niet langer hun reservataire rechten kunnen laten gelden voor giften die aan de langstlevende wettelijk samenwonende werden gedaan, net zoals dit het geval is voor giften gedaan aan de langstlevende echtgenoot.
Verder wordt er ten laste van de langstlevende wettelijk samenwonende een gelijkaardige onderhoudsregeling zoals bij echtgenoten voorzien ten voordele van de kinderen en de behoeftige ascendenten van de eerstoverleden wettelijk samenwonende.
Uit hetgeen voorafgaat volgt, indien het wetsontwerp zoals het heden voorligt wet zou worden, dat:
Om de rechten van de langstlevende wettelijk samenwonende te maximaliseren, alsook om de vrijstelling van de gezinswoning in de Vlaamse successierechten volledig te benutten (zie evenwel de nuanceringen in voormelde nieuwsbrief), is een planning derhalve nog steeds nuttig. Ook de reeds bestaande planningen (bijvoorbeeld de bedingen van aanwas) zullen in het licht van deze nieuwe wetgeving moeten worden geanalyseerd en moeten worden heroverwogen. In voorkomend geval blijft het nuttig een beding van aanwas met optie te combineren met een testament voorzien van een alternatieve beschikking of strafclausule.
Tot slot nog dit: een opmerkelijk (verantwoord?) verschil in vergelijking met de schenkingen tussen echtgenoten buiten huwelijkscontract blijft natuurlijk dat schenkingen tussen wettelijk samenwonenden niet ad nutum herroepbaar zijn.
De laatste jaren is er heel wat te doen rond zogenaamde interne meerwaarden (zie ook de nieuwsbrief van 4 december 2006).
Het betreft meerwaarden die als volgt worden gerealiseerd. In een eerste fase draagt een natuurlijk persoon zijn aandelen in een werkvennootschap over aan zijn holdingvennootschap. De meerwaarde die hierbij wordt gerealiseerd blijft dan onbelast - althans dit is de bedoeling, zie hierna - voorzover het een normaal beheer van het privé-vermogen betreft (als bedoeld in art. 90, 1° W.I.B).
Een tweede fase bestaat erin de reserves van de werkvennootschap daadwerkelijk (en uiteraard belastingvrij) van de holdingvennootschap tot bij de natuurlijk persoon te krijgen. Is de overdracht van de aandelen naar de holdingvennootschap gebeurd middels een verkoop, dan zal de holding de verschuldigde koopsom aan de natuurlijk persoon betalen door zich de reserves van de werkvennootschap te laten uitkeren in de vorm van dividenden. Dit kan quasi-onbelast door de toepasselijkheid van de DBI-aftrek (art. 202 e.v. W.I.B.).Is de overdracht van de aandelen naar de holdingvennootschap gebeurd middels een inbreng, dan zal de reserve onbelast bij de natuurlijk persoon terechtkomen door een kapitaalvermindering door te voeren bij de holdingvennootschap. De in de holding ingebrachte aandelen dienen immers te worden beschouwd als "gestort kapitaal" in de zin van art. 184 W.I.B. en een terugbetaling van dergelijk "gestort kapitaal" wordt in principe niet gelijkgeschakeld met een belastbaar dividend (art. 2,6° iuncto 18, 2° iuncto art. 184 W.I.B.).
Op die manier wordt het aldus mogelijk belastingvrij (d.i. met vermijding van een roerende voorheffing van 25% op een dividenduitkering) reserves uit uw vennootschap te halen.
Het voorgaande is echter een doorn in het oog van de fiscus. Meestal argumenteerde de fiscus dat hierdoor de grenzen van het normaal beheer van het privé-vermogen als bedoeld in art. 90,1° W.I.B. worden overschreden. Het gevolg dat de fiscus daaraan dan in principe koppelt is een belasting van de volledige meerwaarde die aldus wordt gerealiseerd aan 33% (zijnde 8% meer dan indien men had geopteerd voor een eenvoudige dividenduitkering).
Ingevolge een arrest van het Hof van Cassatie van 30 november 2006 lijkt dit evenwel niet langer meer mogelijk te zijn. In dit arrest heeft het Hof immers beslist dat art. 90,1° W.I.B. niet toelaat de volledige meerwaarde die wordt gerealiseerd bij een verrichting die het normaal beheer van het privé-vermogen overschrijdt te belasten, maar slechts de winst of de baat die daaruit voortkomt. En in het geval de aandelen met het oog op de verkoop of inbreng marktconform worden gewaardeerd, komt er uit een dergelijke verrichting normaal gezien nooit een dergelijke winst of baat voort en is er dus niets te belasten.
De fiscus zal dus wellicht het geweer van schouder dienen te veranderen om interne meerwaarden te lijf te gaan. Tenzij de wetgever de fiscus te hulp schiet...
Een fiscaalvriendelijke overdracht van een onderneming hoeft niet noodzakelijk tot stand te komen middels een schenking onder de levenden. Op grond van artikel 60bis van het (Vlaamse) Wetboek van Successierechten kunnen aandelen in en vorderingen op "familiale" vennoot¬schappen alsook activa van familiale ondernemingen immers onder bepaalde voorwaarden tegen 0% successierechten vererven. Een gelijkaardige regeling geldt ingevolge art. 60bis van het Waalse Wetboek van Successierechten (eveneens 0%) en art. 60bis van het Brusselse Wetboek van Successierechten (3%).
De belangrijkste toepassingsvoorwaarden voor het (Vlaamse) nultarief zijn de participatievoorwaarde (uiteraard enkel voor familiale vennootschappen) en de tewerkstellingsvoorwaarde. Daarnaast zijn er o.m. nog een aantal vormvoorwaarden waarop hier niet wordt ingegaan.
De participatievoorwaarde komt er in essentie op neer dat enerzijds gedurende drie jaar vóór het overlijden minimaal 50% van de aandelen ononderbroken in het bezit moeten geweest zijn van de overledene en/of zijn echtgeno(o)t(e) en/of van welbepaalde andere familieleden en dat anderzijds gedurende vijf jaar ná het overlijden geen uitkering of terugbetaling van het kapitaal mag worden doorgevoerd.
De tewerkstellingsvoorwaarde houdt - algemeen gesteld - in dat enerzijds gedurende drie jaar vóór het overlijden minimaal vijf werknemers (berekend in voltijdse éénheden, dus bijvoorbeeld drie voltijdse en vier halftijdse arbeidskrachten volstaat) in het Vlaamse Gewest tewerkgesteld moeten zijn. Zijn er dat minder, dan is een proportionele vermindering van de vrijstelling van toepassing (20% per werknemer). Anderzijds mag gedurende vijf jaar na het overlijden het voortschrijdend gemiddelde van het aantal werknemers (berekend in voltijdse éénheden) niet minder bedragen dan de helft van het aantal werknemers op datum van het overlijden, en moeten er op het einde van de vijfjarige periode minimum evenveel werknemers tewerkgesteld zijn als op het ogenblik van het overlijden.
Eind 2005 werd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt aan het Europese Hof van Justitie de (lang verwachte) prejudiciële vraag gesteld of het feit dat deze tewerkstellingsvoorwaarde moet worden voldaan in het Vlaams Gewest geen schending inhoudt van de vrijheid van vestiging. Recent heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie in zijn conclusie alvast geoordeeld van wel. De verwachting is dat het Hof zich bij de mening van de Advocaat-Generaal zal aansluiten.
Is dat inderdaad het geval, dan zal de Vlaamse decreetgever de tewerkstellingsvoorwaarde van art. 60bis wellicht moeten versoepelen in die zin dat de tewerkstellingsvoorwaarde niet langer in het Vlaams Gewest zal moeten worden voldaan om recht te hebben op het 0%-tarief, maar dat de tewerkstelling evengoed zal kunnen plaatsvinden in een ander land van de Europese Unie.
De talrijke Nederlandse industriëlen die zich in België hebben gevestigd zullen dan alvast geen topholding met vijf werknemers in het Vlaams Gewest meer nodig hebben om hun volledige Nederlandse onderneming of vennootschap successievrij te laten vererven.
In elk geval houdt een wetgevend ingrijpen eveneens best rekening met de mogelijkheid om de tewerkstellingsvoorwaarde te vervullen binnen het Brusselse en/of het Waalse Gewest.
Ingevolge een Luxemburgse wet van 1929 wordt een belastingvrijstelling toegestaan aan vennootschappen die deelnemingen aanhouden, beter bekend onder de naam ‘holding 1929'.
Dit Luxemburgs vehikel, dat volledig vrijgesteld is van Luxemburgse vennootschapsbelasting, vermogensbelasting en roerende voorheffing op dividenduitkering, kwam echter in het Europese landschap zwaar onder vuur te liggen.
Luxemburg pastte het regime van de holding 1929 nog aan in 2005, maar ook dit bleek niet te volstaan voor de Europese Commissie.
Eerder dit jaar werd Luxemburg de verplichting opgelegd de holding 1929 af te schaffen, weliswaar met een toegestane overgangsperiode voor bestaande holdings van 1 januari 2007 tot 31 december 2010.
Teneinde aan deze verplichting tegemoet te komen ligt een Luxemburgs wetsontwerp voor tot afschaffing (vanaf 1 januari 2007) van de holding 1929 met inachtneming van een (door de Europese Commissie toegestane) overgangsperiode voor bestaande holdings (holdings opgericht tot en met 20 juli 2006) tot eind 2010.
Luxemburg laat het daar echter niet bij.
Een recent wetsvoorstel voorziet in de creatie van een Luxemburgse SPF of voluit ‘société de gestion de patrimoine familial', een nieuw vehikel dat (opnieuw) vrijgesteld wordt van inkomstenbelasting en vermogensbelasting (en net zoals de holding 1929 onderworpen is aan de ‘taxe d'abonnement', weliswaar nu aan een tarief van 0,25%).
De toelichting bij het wetsvoorstel geeft duidelijk aan waarop het nieuwe vehikel zich richt. De SPF richt zich enkel op natuurlijke personen die handelen in het kader van het beheer van hun privévermogen (rechtstreeks of via een ‘entité patrimoniale', zoals bijvoorbeeld een stichting adminstratiekantoor of een trust). Dit blijkt eveneens uit de omschrijving van de toepassingsvoorwaarden van de wet. Elke commerciële activiteit door de holdingvennootschap is uitgesloten en ook de aandelen van de holdingvennootschap mogen slechts worden verspreid onder een beperkte groep van personen (zo werd tevens expliciet een beroep op het spaarwezen uitgesloten).
Of het nieuwe vehikel echter de Europese toets zal doorstaan valt af te wachten. Uit de toelichting bij het wetsvoorstel inhoudende de invoering van de SPF blijkt dat Luxemburg bij de wettelijke omschrijving van de SPF zich geen moeite heeft getroost om buiten de angels van de Europese reglementering inzake de staatssteun te blijven. Zo wordt tevens expliciet in het wetsvoorstel opgenomen dat de holding enkel participaties kan aanhouden op voorwaarde dat de holding zich niet mengt in het bestuur van deze vennootschap. De toelichting omschrijft de SPF in die zin als een ‘véhicule passif d'investissement'.
Het is echter maar de vraag of Europa zich daarbij zal neerleggen en in feite een nieuw vehikel zal toestaan dat voor 99% de doelgroep van de (oude) holding 1929 overneemt en bedient.
Was het werkelijk de bedoeling van de Europese Commissie om, met de insteek van zoveel inspanning en energie, slechts 1% van het doelpubliek van de holding 1929 te treffen?
Overigens zou volgens een hardnekkig gerucht een (Belgische) Circulaire op komst zijn waarbij elke overdracht van aandelen van een dergelijk vehikel aan 10% liquidatiebelasting zou worden onderworpen.
Bij de afweging wat er moet gebeuren met bestaande holdings 1929 en of het aangewezen is om gebruik te maken van de nieuwe structuur zal het bijgevolg hoe dan ook van cruciaal belang zijn na te gaan wat in het concrete geval de eraan verbonden risico's zijn voor de belegger.
Bij heel wat reorganisaties, hetzij in het kader van een familiale regeling, hetzij in het kader van een centralisatie van vennootschapsstructuren of om andere redenen, wordt zeer vaak gebruik gemaakt van een holdingvennootschap. Daarbij brengen natuurlijke personen- aandeelhouders van (werk)vennootschappen hun aandelen in in een nieuw door hen opgerichte vennootschap. Aangezien dit een inbreng in natura betreft, dient een bedrijfsrevisor de reële waarde van de ingebrachte aandelen te bepalen. Op deze manier wordt in de nieuwe vennootschap kapitaal gevormd ten belope van de waarde van de ingebrachte aandelen.
In het recente verleden was het vooral de vraag of een overdracht aan de holdingvennootschap al dan niet voor de natuurlijke persoon-overdrager aan (meerwaarden)belasting onderworpen is (artikel 90,1° WIB - belast tegen 33%).
Een verkoop aan een zelf opgerichte holdingvennootschap van zijn aandelen acht de fiscus al sinds een aantal jaren principieel belastbaar als divers inkomen, hoewel daar vanuit theoretisch standpunt sterk aan kan worden getwijfeld.
Maar ook m.b.t. de inbreng rezen er in het recente verleden wat twijfels over de al dan niet belastbaarheid van de gerealiseerde meerwaarden. Begin vorig jaar kwam er een kentering in het standpunt van de fiscus die aanvaardde dat de (interne) meerwaarden gerealiseerd door middel van een inbreng in een eigen opgerichte holdingvennootschap onder bepaalde specifieke voorwaarden vrijgesteld zijn van belasting. In essentie kwamen deze voorwaarden erop neer dat er geen in de werkvennootschappen opgebouwde reserves binnen de drie jaar na de inbreng aan de aandeelhouders zouden worden uitgekeerd. Velen hebben onder akkoordverklaring van naleving van de door de fiscus opgelegde voorwaarden een holding opgericht en de aandelen van hun werkvennootschappen ingebracht in een holdingvennootschap.
In een wetsvoorstel wordt evenwel nu gedeeltelijk teruggekomen op dit standpunt. Immers, het door de inbreng van aandelen van de werkvennootschappen opgebouwde kapitaal zou ten belope van de gerealiseerde meerwaarden niet meer onder de definitie van gestort kapitaal vallen (artikel 184 WIB) en dus niet meer als fiscaal kapitaal worden aanvaard. Dit houdt in dat latere kapitaalverminderingen toch aanleiding zouden geven tot de verplichting voor de vennootschap tot inhouding van roerende voorheffing (25%) voor zover daarmee het kapitaal van de gerealiseerde meerwaarden wordt uitgekeerd.
Wanneer deze nieuwe definitie van gestort kapitaal zal worden gehanteerd is niet meteen duidelijk. Indien dit geldt voor bijvoorbeeld alle kapitaalverminderingen in de toekomst, betekent dit toch dat op een slinkse manier een retro-actieve belasting wordt ingevoerd. Onder meer de beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat deze definitie niet zou gelden voor allen die onder het gerechtvaardigde vertrouwen van het standpunt van de fiscus hun aandelen van werkvennootschappen in het verleden hebben ingebracht in een holdingvennootschap. Het valt met andere woorden ten minste te hopen, voor zover dit voorstel aanvaard zou worden, dat de invoering van deze nieuwe definitie voor gestort kapitaal enkel zal gelden voor kapitaal gevormd vanaf aanslagjaar 2008 en niet voor alle kapitaalverminderingen vanaf de invoering van de nieuwe wet.
Arrest Hof van Cassatie 10 december 2010: sterfhuisclausule nu ten volle adviseerbaar - voorzichtigheid finaal verrekenbeding blijft vereist
In een korte door de praktijk gewaardeerde bijdrage in het Tijdschrift voor Notarissen in 2010 (afl. 5, p. 249-253) werd door Guillaume Deknudt ingegaan op de sterfhuisclausule en het finaal verrekenbeding. Meer bepaald werd de verdedigbaarheid van beide technieken geplaatst tegenover de adviseerbaarheid ervan. Voor wat de argumentatie voor de verdedigbaarheid van beide technieken betreft, kan worden verwezen naar eerdere publicaties van diens hand. In voormelde bijdrage werd in hoofdzaak gefocust op de adviseerbaarheid ingegeven vanuit een verantwoorde voorzichtigheidshouding.
Het arrest van het Hof van Cassatie van 10 december 2010 brengt eindelijk rechtszekerheid en leidt ertoe dat de sterfhuisclausule in de aangewezen gevallen ten volle kan worden geadviseerd.
Civielrechtelijk kan uit het arrest worden afgeleid dat de sterfhuisclausule een geldig beding is en op dezelfde manier wordt beoordeeld als het klassiek verblijvingsbeding (in casu wordt de toepassing van artikel 1464 B.W. volledig doorgetrokken), hetgeen betekent dat de sterfhuisclausule civielrechtelijk op dezelfde manier en in dezelfde verhouding een verkrijging ten bezwarende titel inhoudt als in geval van een klassiek verblijvingsbeding. Bijgevolg zal er bij gemeenschappelijke kinderen enkel een mogelijke inkorting zijn bij een verkrijging boven de helft van de inbreng van de eerststervende (cf. art. 1464, tweede lid B.W.).
Op fiscaal vlak wordt de verkrijging via de sterfhuisclausule thans ook in geval van inbreng door de eerststervende volledig vrijgesteld van successierechten. In tegenstelling tot de stellingname van de Administratie kan er dus volgens het Hof geen taxatie zijn op basis van artikel 2 W. Succ. (‘contractuele erfstelling’) voor het gedeelte boven de helft van de inbreng van de eerststervende (het zogenaamde ‘surplus’). Ook op fiscaal vlak biedt het arrest bijgevolg het voordeel van de duidelijkheid voor de praktijk en zijn niet langer enkel de aanwinsten en de helft van de inbreng van de eerststervende vrijgesteld van successierechten.
Het arrest kan derhalve voor de praktijk zondermeer als positief worden onthaald. De civielrechtelijke gevolgen van de sterfhuisclausule werden immers door het Hof verduidelijkt en bovendien is het surplus volgens het Hof niet langer belastbaar in de successierechten. Ten slotte kan het arrest worden aangewend voor de terugvordering van reeds betaalde successierechten. Zelfs in geval van een klassiek verblijvingsbeding biedt het arrest op dat vlak belangrijke opportuniteiten.
Per 1 januari 2007 treedt het Vlaamse decreet houdende vrijstelling van successierechten ten voordele van de langstlevende partner voor de nettowaarde van de gezinswoning in werking.
De vrijstelling is van toepassing op nalatenschappen die openvallen vanaf 1 januari 2007.
De vrijstelling geldt zowel voor gehuwden als voor wettelijk samenwonenden. De regel geldt eveneens voor feitelijk samenwonenden, maar zij moeten aan bijkomende voorwaarden voldoen (ze moeten drie jaar hebben samengewoond en ze moeten een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd).
De samenwonende, zowel de wettelijke als de feitelijke, die een aandeel in de gezinswoning verkrijgt, mag bovendien noch een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater zijn, noch een rechtverkrijgende die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.
De nieuwe regeling werpt vele (praktische) vragen op, maar biedt tegelijk planningsmogelijkheden.
Zo kan het bij partners die over meerdere onroerende goederen beschikken interessant zijn de gezinswoning te vestigen in het onroerend goed dat volledig tot het eigen vermogen van de partner behoort die vermoed wordt als eerste te sterven (bijvoorbeeld omdat deze terminaal ziek is).
Zo kan het tevens aangewezen zijn de gezinswoning te vestigen in het onroerend goed met de hoogste waarde.
Uiteraard moet rekening worden gehouden met het feit dat de vrijstelling enkel geldt tussen partners. Indien men bij het eerste overlijden maximaal van de vrijstelling wil genieten, zal de gezinswoning (of het aandeel van de eerststervende in de gezinswoning) desgevallend moeten worden gelegateerd in volle eigendom aan de langstlevende. Wel moet er tevens rekening mee worden gehouden dat de gezinswoning op deze manier volledig in de nalatenschap van de langstlevende terechtkomt, hetgeen bij het overlijden van de langstlevende een negatieve invloed zal hebben op de te betalen successierechten (gelet op de progressieve tariefstructuur).
Het bespelen van de vrijstelling van de gezinswoning moet dan ook goed worden afgewogen.
Daarnaast is het ook aangewezen bepaalde getroffen regelingen te herevalueren in het licht van de nieuwe vrijstelling.
Een gezinswoning waarbij bijvoorbeeld tussen de partners een beding van aanwas werd overeengekomen (of waarbij een beding van tontine werd aangewend) onttrekt deze gezinswoning aan de nalatenschap van de eerststervende, zodat in dat geval niet van de vrijstelling kan worden genoten. Op het bijkomend aandeel verkregen door de langstlevende op het ogenblik van het overlijden van de eerststervende moet derhalve het evenredige verkooprecht worden betaald, in Vlaanderen 12,5 % of 10% naargelang de aankoop voor of na 1 januari 2002 heeft plaatsgevonden. Teneinde deze hoge registratierechten te vermijden en alsnog van de vrijstelling te genieten, is het aangewezen het beding van aanwas in onderling overleg te heroverwegen.
Ten slotte nog dit: de vrijstelling heeft het ook over ‘onroerende' goederen, zodat de gezinswoning ingebracht in een vennootschap ook in dit opzicht minder aantrekkelijk wordt. Ook opsplitsingen van de gezinswoning voor het vruchtgebruik in de vennootschap en de blote eigendom in het privévermogen kunnen vanuit dit perspectief suboptimaal zijn. De waarde van de aandelen (waarbij bij de waardering rekening wordt gehouden met de waarde van het vruchtgebruik) is immers niet vrijgesteld.
De koude nieuwjaarsperiode doet altijd denken aan een verblijf in het Zuiden...
Bij de terugblik op 2007 stellen we vast dat de Franse schenkings- en successierechten ernstige wijzigingen hebben ondergaan. Zo werd voor schenkingen verricht vanaf 22 augustus 2007 en nalatenschappen opengevallen vanaf die datum het persoonlijk abattement in de rechte lijn opgetrokken van 50.000 EUR tot 150.000 EUR per begiftigde respectievelijk erfgenaam. Het globale abattement van 50.000 EUR in de successierechten werd dan weer afgeschaft. Last but not least: de successierechten tussen echtgenoten en partners die een Pacs hebben afgesloten werden afgeschaft! Evenmin leidt de aanwas van het vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende nog langer tot successierechten.
Is het dan nog wel nodig een planning door te voeren met uw Frans onroerend goed? Het bevestigende antwoord op deze vraag is te wijten aan de internationale blik waarmee men een dergelijke planning moet benaderen. Wanneer men geen planning doorvoert en het Frans onroerend goed eenvoudig laat vererven, dan kan de Belgische ingezetene op het niveau van de Franse successierechten weliswaar genieten van deze gunstige fiscale wijzigingen, maar naar uiteindelijke belastingdruk zal dit doorgaans niet veel verschil uitmaken. Waar hij vroeger effectief een bepaald bedrag aan Franse belastingen diende te voldoen en hij dit op basis van artikel 17 W. Succ. kon verrekenen met zijn Vlaamse, Brusselse of Waalse successierechten, zal hij nu deze verrekeningsmogelijkheid verliezen en de Vlaamse, Brusselse of Waalse successierechten finaal ten volle blijven dragen.
Het blijft dus zeker de moeite lonen over te gaan tot een schenking van het Franse onroerend goed. Met de doorgevoerde wijzigingen, gecombineerd met de reeds vroeger bestaande regels (bijvoorbeeld de gunstige fiscale waardering van het vruchtgebruik), kan men immers al ver komen. Een voorbeeld: twee ouders met een leeftijd tussen de 51 en de 60 jaar hebben twee kinderen en beschikken over een Frans onroerend goed van 1.200.000 EUR (elk van beide ouders zijn voor de helft gerechtigd). Welnu, in dat geval kan het onroerend goed, indien dit wordt geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik, belastingvrij aan de kinderen worden geschonken. Ook de bedongen aanwas van het vruchtgebruik tussen de ouders onderling zal overigens niet tot een belasting aanleiding geven.
Bovendien wordt dit voordeel niet opgesoupeerd door Vlaamse, Brusselse of Waalse successierechten, zelfs niet als de Belgische ingezetene één dag vóór zijn overlijden nog zijn vastgoed in Frankrijk zou schenken.
En wat meer is: gelet op de belangrijke wijzigingen in het Franse erfrecht door de Wet van 23 juni 2006 (in werking getreden op 1 januari 2007) kan men nu ook een door te voeren planning met een Frans onroerend goed burgerrechtelijk optimaliseren door anticipatief afstand te laten doen van de vordering tot inkorting, waardoor het mogelijk wordt een bepaald onroerend goed definitief aan een welbepaald kind toe te kennen. Wanneer men dan aan het andere kind bijvoorbeeld het appartement aan de Vlaamse kust definitief zou wensen toe te kennen, om de balans weer in evenwicht te krijgen, dan valt daar ook naar Belgisch erfrecht wel een mouw aan te passen, al kent het Belgisch recht geen anticipatieve afstand van de reserve zoals het Franse recht dit nu kent.
(art. 60bis §5 W. Succ.).
Als gevolg van een arrest van het Hof van Justitie werd de tewerkstellingsvoorwaarde voor de vrijstelling in de Vlaamse successierechten voor de familiale ondernemingen en vennootschappen aangepast bij Vlaams Decreet van 21 december 2007.
Voor het bekomen van de vrijstelling dienden onder de oude regeling in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden in principe minstens vijf werknemers, uitgedrukt in voltijdse eenheden, in het Vlaamse Gewest te worden tewerkgesteld. Indien het aantal werknemers lager was, kon de vrijstelling onder bepaalde voorwaarden tevens proportioneel worden genoten. Ten slotte bleef de vrijstelling in principe slechts behouden indien er gedurende de vijf jaar na het overlijden jaar na jaar een behoud van tewerkstelling was. Ook op dit principe voorzag de vroegere regeling in een aantal verzachtingen.
De nieuwe regeling koppelt de vrijstelling aan het bedrag aan loonlasten uitbetaald aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte zijn tewerkgesteld. Een volledige vrijstelling wordt toegestaan indien dit bedrag aan loonlasten 500.000 euro (geïndexeerd) bedraagt in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden. Ook onder de nieuwe regeling is een proportionele toekenning van de vrijstelling mogelijk, dewelke bovendien veel verder kan worden ‘geproportionaliseerd' in vergelijking met de vroegere regeling. De volledige vrijstelling blijft slechts behouden indien het bedrag aan loonlasten gedurende de vijf jaar na het overlijden minstens 5/3de bedraagt van het bedrag aan loonlasten uitbetaald gedurende de drie jaar voor het overlijden. Indien en in de mate de loonlasten betaald na het overlijden lager zijn, is de belasting tegen het normale tarief proportioneel verschuldigd. Naast een uitsluiting uit de loonlasten voor werknemers die in hoofdzaak ten behoeve van de werkgever huishoudelijke handarbeid verrichten (zie eveneens de oude regeling), is tevens in een beperking van het in rekening te brengen bedrag aan loonlasten voorzien die worden uitbetaald aan de erflater zelf, diens echtgenoot en diens verwanten in de rechte lijn.
Als korte noot bij deze aanpassing kan worden vermeld dat het (gedeeltelijk) verlies van de vrijstelling eerder zal intreden dan hetgeen het geval was onder de oude regeling, maar dat het verkrijgen van de vrijstelling of het verlies van de vrijstelling, zoals vermeld, veel verder kan worden ‘geproportionaliseerd' dan onder de oude regeling.
Ten slotte nog dit: de inwerkingtreding van de nieuwe regeling werd (nogal arbitrair) gesteld op 1 november 2007, hetgeen niet enkel voor nog in te dienen aangiftes successierechten zijn belang heeft, doch tevens eveneens voor zelfs reeds ingediende aangiftes zijn impact kan hebben. Als men weet dat de vrijstelling expliciet moet worden gevraagd in de aangifte hoeft het geen betoog dat opletten de boodschap is...
In een nog niet gepubliceerde beslissing is de Administratie op 13 december van vorig jaar teruggekomen op haar "harde" standpunt inzake de gesplitste aankoop vruchtgebruik - blote eigendom tussen erflater en erfgenamen in het licht van artikel 9 van het Wetboek Successierechten.
Zoals bekend stelt dit artikel dat bij wijze van fictie een onroerend goed, dat gesplitst werd aangekocht tussen bijvoorbeeld een ouder voor het vruchtgebruik en een kind voor de blote eigendom, toch nog in de nalatenschap van de ouders valt indien het kind niet kan bewijzen dat de "verkrijging" geen bedekte bevoordeling inhoudt. Het kind dient daarvoor enerzijds te bewijzen dat het de financiële middelen had om de blote eigendom te verkrijgen en anderzijds dat het ook die middelen daarvoor heeft aangewend.
In een eerder standpunt ging de fiscus al akkoord dat een schenking aan het kind van de middelen tot verkrijging van de blote eigendom voldoende is om het tegenbewijs te leveren in het kader van artikel 9 W.Succ. voor zover deze schenking plaatsvond vóór de verkrijging van de blote eigendom. Maar aan dit standpunt voegde de administratie wel nog toe dat het ogenblik van de verkrijging van de blote eigendom en het vruchtgebruik niet de datum van de authentieke akte is, maar wel de datum van het compromis tussen partijen. Precies deze aanvulling heeft in de praktijk nogal wat paniek gezaaid. Gebruikelijk gaan ouders immers eerst op zoek naar een onroerend goed, sluiten dan een compromis en gaan pas daarna, voor de authentieke akte, een planning opzetten die eventueel leidt tot een gesplitste aankoop. Door de recente mogelijkheid om goedkoop een compromis nog aan te passen was het standpunt van de fiscus voor de toekomst al geen echt probleem meer. Maar indien de fiscus haar standpunt had volgehouden zouden er nogal wat ‘lijken', bij overlijden van de vruchtgebruiker, uit de kast gevallen zijn.
Interne druk, harde rechtsleer en gezond verstand heeft de fiscus nu overtuigd haar standpunt opnieuw te wijzigen. De toestand is nu dus zo dat men het bestaan en het gebruik van geld in hoofde van de verkrijger van de blote eigendom moet bewijzen op het ogenblik dat de prijs moet betaald worden (meestal dus de authentieke akte) en niet meer op datum van de compromis.
Zoals u weet kan de overdracht van roerend vermogen naar de volgende generatie op een fiscaal neutrale manier gebeuren. Zelfs als u opteert dit te doen met betaling van schenkingsrechten, kan dit in het Vlaamse Gewest sinds 1 januari 2004 voor roerende goederen aan een vast tarief van slechts 3% schenkingsrechten. Ook de andere gewesten zijn het Vlaamse voorbeeld gevolgd.
Aan deze overdracht kunnen bovendien burgerrechtelijk tal van voorwaarden worden gekoppeld en tevens kan in een beheersstructuur worden voorzien. Op die manier behoudt de schenker de inkomsten en de controle over het geschonken vermogen, zolang hij dit wenst.
De praktijk leert echter dat, ondanks de verregaande mogelijkheden tot behoud van de macht en de inkomsten, de schenker heel vaak nog niet ‘klaar' is om tot een vermogensoverdracht over te gaan. De oorzaak kan gelegen zijn bij de schenker zelf doordat hij nog over een bepaald (rest)vermogen wil beschikken waarbij hij op geen enkele manier beknot wenst te worden of doordat hij zelf nog vrij jong is en de kinderen nog minderjarig zijn. De oorzaak kan ook gelegen zijn bij de potentiële begiftigde. De begiftigde is er nog niet klaar voor of de begiftigde bevindt zich in een situatie waardoor het beter is de schenking nog even uit te stellen (bv. hangende een echtscheidingsprocedure).
Aan de andere kant bestaat tevens de vrees dat dit behoud van vermogen bij een overlijden zal worden getaxeerd aan de nog steeds hoog oplopende successierechten (27% boven de 250.000 euro per rechtsverkrijgende).
Een dodelijke hartaanval of een dodelijk ongeval kan uiteraard niet worden voorzien. De successierechten als gevolg van een dergelijke gebeurtenis dienen dan ook desgewenst door een verzekering te worden afgedekt. Dergelijke verzekeringen voor specifieke oorzaken van overlijden zijn vaak verassend laag qua te betalen premies. In het geval het overlijden echter - weze het zelfs heel kort - wordt aangekondigd, kan de (rest)vermogende persoon in een opvangnet voorzien. Het auto-ongeval leidt niet tot een onmiddellijk overlijden maar tot een coma (van enkele dagen). Er treedt een (slepende) ziekte op. Welnu, voor dit soort van voorvallen, waar de toekomstige erfgenamen door het lot wel nog over een zeker respijt beschikken - ook al is deze termijn heel kort - kan gebruik worden gemaakt van de door de erflater klaargelegde structuur om zich alsnog vóór zijn overlijden en dus in extremis volledig fiscaalvriendelijk te ‘ontmantelen'.
Daartoe is vereist dat de (toekomstige) erflater, op een ogenblik dat hij nog gezond van geest is en dus tijdig, in een structuur voorziet die als het ware ‘op de plank wordt gelegd voor het geval van'. Zonder ons te willen verliezen in technische details, komt het erop neer dat de erflater een volmacht verleent tot het doen van een schenking van zijn restvermogen wanneer hij in een toestand komt die onomkeerbaar is en waarbij hij zelf niet langer over het (geestelijk en/of lichamelijk) vermogen beschikt om tot een schenking over te gaan. Door op basis van deze volmacht nog kort voor het aangekondigde overlijden over te gaan tot een schenking (geregistreerd aan 3% schenkingsrechten) van het restvermogen aan de voorziene begiftigden, vermijdt de (toekomstige) erflater dat dit vermogen in zijn nalatenschap valt en wordt getaxeerd aan een toptarief van 27%. Essentieel hierbij is dat vermeden moet worden dat de volmachtdrager de volmacht op een oneigenlijke manier zou kunnen aanwenden. De structuur moet derhalve in die zin worden uitgewerkt dat die enkel toelaat dat de volmacht wordt aangewend voor het geval zoals gewild door de erflater, te weten op een ogenblik dat de erflater zelf niet meer in staat is te schenken en er evenmin een kans op beterschap is.
Op die manier bereikt de schenker/erflater de uiterste ‘houdbaarheidsdatum' van zijn (rest)vermogen én wordt alsnog het vermogen overgedragen aan een fiscaal zeer aanvaardbaar tarief.
Het spreekt voor zich dat alles uiteraard tot in de puntjes dient te worden uitgewerkt en klaargelegd voor het ogenblik waarop de urgente situatie zich voordoet. Een correcte en afgemeten omschrijving van de nodige documenten zal daarbij doorslaggevend zijn. Bovendien zal het eveneens aangewezen zijn de voorliggende operatie reeds op voorhand voldoende door te spreken met de andere actoren die eraan te pas komen (de notaris, de bankier, de accountant,...), zodat op het ogenblik van de waarheid iedereen meteen in actie kan schieten.
Ten slotte mag het voorgaande niet verkeerd worden begrepen. Het blijft onzes inziens nog steeds wenselijk reeds voordien in een gedegen en reeds uitgewerkte vermogensplanning te voorzien voor wat betreft een belangrijk of het belangrijkste deel van het vermogen, zodat de planning in extremis best voorbehouden blijft voor een fractie of de rest van het vermogen. Niemand heeft immers zijn lot (volledig) in eigen handen. Maar dit procédé helpt de eeuwige twijfelaar toch te schenken (net) voor hij het tijdelijke voor het eeuwige ruilt.
Het hing al een tijdje in de lucht dat de (gedeeltelijke) onterving middels het instrument van de levensverzekering ook door het Grondwettelijk Hof zou worden genuanceerd.
De Prejudiciële Vraag van het Hof van Beroep te Gent luidde als volgt: "Schendt artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat dit artikel ertoe leidt dat, ingeval van een spaarverrichting door de erflater in de vorm van een gemengde levensverzekering, de reserve niet kan worden ingeroepen, ook wanneer het levensverzekeringscontract een technisch anders geformuleerde spaarvorm is, waar indien de spaarinspanning van de erflater veeleer tot uiting was gekomen door de aankoop van effecten of andere spaartegoeden, de reserve wel kan worden ingeroepen, men met andere woorden wel een vordering tot inkorting kan instellen."
En het Grondwettelijk Hof oordeelde bij arrest van 26 juni 2008 als volgt: "Artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het ertoe leidt dat, in geval van een spaarverrichting door de erflater in de vorm van een gemengde levensverzekering, de reserve niet kan worden aangevoerd ten aanzien van het kapitaal."
Het Grondwettelijk Hof bleef daarmee op dezelfde lijn als in het gekende arrest (inzake huwelijkvermogensrecht) van 26 mei 1999: de levensverzekering kan niet worden gebruikt of misbruikt om de normale werking van het huwelijksvermogensrecht (arrest van 26 mei 1999) of het erfrecht (arrest van 26 juni 2008) te verstoren, althans niet wanneer het specifieke regime van de levensverzekering op het concrete product niet gerechtvaardigd is.
Het afwijkende regime specifiek voorzien voor de ‘levensverzekering' is dan enkel maar gerechtvaardigd wanneer de voorzorgsgedachte voldoende duidelijk naar voor komt. In het arrest van 26 juni laatstleden overweegt het Grondwettelijk Hof immers dat de gunstregeling door artikel 124 voormeld was verantwoord door het feit dat de levensverzekering werd opgevat als een normale daad van voorzorg die een beperkte verarming van het vermogen inhield, omdat ze meestal de vorm aannam van de betaling van periodieke premies van een redelijk bedrag. Het Hof oordeelt verder dat dit thans evenwel niet meer voor elke levensverzekering kan gelden, vermits sommige levensverzekeringen echte financiële beleggingsinstrumenten zijn geworden waarbij aanzienlijke spaartegoeden worden gemobiliseerd. Gelijkaardige overwegingen kunnen worden teruggevonden in het arrest van 1999.
Hoewel een diepgaandere analyse aangewezen voorkomt*, zijn de specifieke bewoordingen van het dictum van het arrest reeds richtinggevend: artikel 124 voormeld is strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ingeval een spaarverrichting in de vorm van een levensverzekering voorligt en de reserve niet zou kunnen worden aangevoerd ten aanzien van het kapitaal.
Het mag duidelijk zijn dat, naast de vermogensplanner, ook de instrumenterende notaris in het kader van een (gerechtelijke) vereffening-verdeling, naast eventueel andere opgebouwde argumentatie (bv. herkwalificatie van een levensverzekering in een spaarproduct) terdege rekening zal dienen te houden met dit arrest. De boedelnotaris oordeelt in deze immers als eerste rechter.
U kent deze ultieme pijnstiller wel: de wijziging van het huwelijkscontract in extemis waarbij het gemeenschappelijk vermogen aan één van beide echtgenoten, bij naam genoemd, wordt toebedeeld, ongeacht of hij of zij de langstlevende is.
Bedoeling is uiteraard op die manier zoveel als mogelijk de successierechten te vermijden.
Het gedeelte dat zo onbelast blijft, werd door de fiscale administratie zelf vastgelegd op hetgeen werd verkregen ‘onder de grens van artikel 1464 B.W.'. Of iets duidelijker: het geheel van de aanwinsten en de helft van de niet-aanwinsten (van de niet bij naam aangeduide echtgenoot) kon dus, volgens de Administratie zelf, onbelast worden verkregen door de bij naam aangeduide echtgenoot.
En wat met de niet-aanwinsten boven voormelde helft? Daarover bestond discussie in de rechtsleer. De Fiscus beschouwde het meerdere immers als een contractuele erfstelling (een schenking van goederen die deel uitmaken van de nalatenschap van de schenker). Daar viel misschien gevoelsmatig wel iets voor te zeggen, maar juridisch-technisch was dit onhoudbaar. De sterfhuisclausule leidt er immers niet toe dat iets wordt verkregen uit de nalatenschap, maar betreft een verdeling op het niveau van het huwelijksvermogensrecht. De bij naam aangeduide echtgenoot of echtgenote die de nalatenschap zou verwerpen, geniet desondanks de toebedeling uit de sterfhuisclausule. Geen contractuele erfstelling dus, en derhalve evenmin de mogelijkheid voor de Fiscus om artikel 2 W. Succ. (waar de contractuele erfstelling belastbaar wordt gesteld) aan te wenden.
Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft (ondermeer) dit laatste nu eveneens bij arrest van 24 juni 2008 bevestigd. Hetgeen verkregen boven de grens zoals geformuleerd in artikel 1464 B.W. is geen contractuele erfstelling, het is zelfs geen schenking, zo oordeelt het Hof. Het is enkel een voordeel dat vatbaar is voor inkorting. Op het eerste zich positief nieuws dus voor de belastingbetaler, vermits de Fiscus op basis van deze analyse elke belastbare grondslag wordt ontnomen.
Nochtans moet dit op dubbele manier worden genuanceerd.
Ten eerste theoretisch. Met de analyse dat geen contractuele erfstelling voorligt, kan worden ingestemd. De wet zelf, met name artikel 1464 B.W., bepaalt echter tevens dat het meerdere als een schenking wordt beschouwd, zodat de tweede stellingname van het Hof toch minstens voor nuancering vatbaar is.
Ten tweede naar de praktijk toe. Zoals gesteld: positief nieuws. Anderzijds wordt in de wandelgangen gefluisterd dat de Administratie niet in cassatieberoep zou gaan... maar wel een wetswijziging zou bewerkstelligen. Zoals te verwachten was, zal de fiscus een totale onbelastbaarheid niet tolereren. Of hoe een voor de belastingbetaler positief arrest wel eens negatiever zou kunnen zijn dan voorheen...
Nochtans kan erop worden gewezen dat de onbelastbaarheid van overdrachten tussen echtgenoten op zichzelf niet zo vreemd hoeft te zijn. Bij onze Zuiderburen werden de successierechten tussen echtgenoten en partners immers recent afgeschaft.
Wordt vervolgd.
Wanneer men als Belgisch rijksinwoner interesten of dividenden geniet uit het buitenland, dan heeft men twee mogelijkheden:
Ofwel int men deze inkomsten door tussenkomst van een Belgische tussenpersoon (Belgische bank). De Belgische tussenpersoon houdt hierop dan de Belgische roerende voorheffing van 15%, dan wel 25%, in en deze werkt bevrijdend. De in België wonende genieter van deze buitenlandse interesten of dividenden dient deze interesten of dividenden dus niet meer op te nemen in zijn aangifte personenbelasting en bevindt zich derhalve fiscaal in dezelfde situatie als de in België wonende genieter van Belgische interesten of dividenden.
Ofwel worden de buitenlandse interesten of dividenden zonder tussenkomst van een Belgische tussenpersoon geïnd. De in België wonende genieter van deze interesten of dividenden is dan verplicht om de ontvangen interesten en dividenden in zijn aangifte personenbelasting op te nemen, waardoor deze niet alleen de heffing van 15%, dan wel 25% zullen ondergaan, maar tevens de aanvullende gemeentebelasting.
Het Europees Hof van Justitie heeft op 1 juli 2010 in het arrest Dijkman geoordeeld dat het vrij verkeer van kapitaal zoals opgenomen in artikel 56 het EG-Verdrag zich verzet "tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke ingezeten belastingplichtigen van deze lidstaat die interesten of dividenden uit beleggingen of investeringen in een andere lidstaat ontvangen, onderworpen zijn aan een aanvullende gemeentebelasting wanneer zij er niet voor hebben geopteerd zich deze roerende inkomsten te laten uitbetalen door een in hun woonstaat gevestigde tussenpersoon, terwijl soortgelijke inkomsten die voortvloeien uit beleggingen of investeringen in hun woonstaat niet hoeven te worden aangegeven en in dat geval ook niet onderworpen zijn aan de aanvullende gemeentebelasting, aangezien zij reeds aan bronheffing zijn onderworpen."
De vraag rees welk standpunt het Contactpunt Regularisaties zou innemen t.a.v. dit arrest. In de meeste dossiers die bij het Contactpunt worden ingediend is er immers (al dan niet uitsluitend) sprake van in het buitenland genoten interesten en dividenden, dewelke door de indiener van de regularisatie-aangifte niet in de aangifte personenbelasting werden opgenomen. Deze worden onderworpen aan hun normale tarief van 15%, dan wel 25%, verhoogd met de gemeentebelasting en een boete van 10%.
Deze week reeds heeft het Contactpunt haar standpunt in deze kenbaar gemaakt, dat luidt dat het arrest Dijkman geen invloed heeft op de berekening van de regularisatieheffing, waarbij de ontdoken gemeentebelasting dus in de toekomst gewoon verder verschuldigd blijft.
Het is evenwel nog maar de vraag hoe de toekomst van de huidige regularisatieprocedure zelf er zal uitzien. In de wandelgangen circuleren er immers diverse pistes hieromtrent, waarbij de teneur steeds is dat de actuele wetgeving verstrengd zal worden.
Voor diegenen wiens dossier er zich toe leent, lijkt het dus zaak om zo snel mogelijk hun dossier in te dienen.
De ‘langst-leeft-al'-bedingen komen veelvuldig voor in oudere huwelijkscontracten.
Op grond van dit beding komt het gehele gemeenschappelijk vermogen toe aan de langstlevende van de echtgenoten, maar zal de langstlevende in principe worden belast in de successierechten op hetgeen hij of zij boven de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt. Veelal een financiële aderlating dus.
Op basis van een arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 24 juni 2008 kan nochtans worden verdedigd dat geen successierechten verschuldigd zijn, meer bepaald voor wat betreft de goederen die verblijven ten voordele van de langstlevende en die voortkomen uit een inbreng in het gemeenschappelijk vermogen gedaan door de eerststervende.
Dit volgt immers uit een strikte lezing van de artikelen 5 en 2 W. Succ.
Voor ingebrachte goederen door de eerststervende kan artikel 5 W. Succ. immers geen toepassing vinden. Dit volgt niet alleen uit de tekst van artikel 5 W. Succ., maar ook uit de (historische) totstandkoming van dit artikel.
Kunnen er dan successierechten worden geheven op basis van artikel 2 W. Succ. (wettelijke devolutie, testamentaire devolutie of contractuele erfstelling)? Volgens het Hof van Beroep te Antwerpen is dit evenmin mogelijk. De door de eerststervende ingebrachte goederen die verblijven aan de niet-inbrengende echtgenoot (langstlevende) kunnen immers volgens het Hof niet belast worden onder de noemer ‘contractuele erfstelling'. Van een wettelijke of testamentaire devolutie is uiteraard geen sprake.
Geen belasting dus op ingebrachte goederen die verblijven aan de niet-inbrengende, langstlevende echtgenoot (terwijl de aanwinsten die voor de totaliteit verblijven aan de langstlevende op basis van artikel 5 W. Succ. wel zullen worden belast ten belope van de helft).
Het voelt niet echt logisch aan, maar tot nader order (tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen werd Cassatieberoep aangetekend) kan dit arrest van het Antwerpse Hof van Beroep wel worden aangegrepen om betaalde successierechten, intresten en boeten terug te vorderen.
Het hoeft geen betoog dat dit een aantrekkelijke gedachte is die in de praktijk zeker bij belangrijke nalatenschappen het proberen waard is.
Bovendien heeft u er belang bij het arrest van het Hof van Cassatie niet af te wachten, vermits uw mogelijke terugvordering ondertussen wel eens zou kunnen verjaard zijn.
Arrest Grondwettelijk Hof 16 december 2010 - Een schenking via levensverzekering is in principe een schenking buiten erfdeel!
Bij arrest van 16 december 2010 heeft het Grondwettelijk Hof zich, na het arrest van 26 juni 2008, opnieuw uitgesproken over het beruchte artikel 124 Landverzekeringswet.
Dat artikel bepaalt, in afwijking van de gemeenrechtelijke regels inzake inbreng en inkorting:
"In geval van overlijden van de verzekeringnemer, zijn de premies die hij heeft betaald, niet aan inbreng of inkorting onderworpen, behalve voor zover het betaalde kennelijk buiten verhouding staat tot zijn vermogenstoestand, in welk geval de inbreng of de inkorting het bedrag van de opeisbare prestaties niet mag overschrijden."
Meer specifiek diende het Hof zich uit te spreken over de vraag of er een ongrondwettigheid voorligt van artikel 124 Landverzekeringswet doordat in geval van een schenking via levensverzekering, de inbreng niet zou kunnen worden aangevoerd, ook wanneer het levensverzekeringscontract een technisch anders geformuleerde spaarvorm is, terwijl in geval van een schenking anders dan via een levensverzekering, de inbreng wel zou kunnen worden aangevoerd.
Het Hof besloot (in essentie) als volgt: "Het voorwerp van de vermoedens is weliswaar verschillend in het geval van de schenkingen en legaten bedoeld in het Burgerlijk Wetboek (de verplichting tot inbreng wordt vermoed) en in dat van de verzekeringen bedoeld in de in het geding zijnde bepaling (de vrijstelling van inbreng wordt vermoed); toch heeft de erflater in beide gevallen de mogelijkheid om zijn wil te laten primeren, zodat het verschil in behandeling niet als onverantwoord kan worden beschouwd."
Het Hof leidt dus uit artikel 124 Landverzekeringswet af dat een begunstiging onder kosteloze titel via levensverzekering in principe vermoed wordt een beschikking buiten deel te betreffen. Indien een verzekeringnemer aldus een polis wenst af te sluiten in het voordeel van een van zijn kinderen, maar de gelijkheid onder hen niet wenst te doorbreken, zal ondubbelzinnig moeten worden aangegeven dat het slechts een beschikking op voorschot van erfdeel betreft, die in de nalatenschap zal moeten worden ingebracht. Al zal in dat geval rekening moeten worden gehouden met het gegeven dat in principe geen afbreuk zal mogen worden gedaan aan het neutrale karakter waaraan de rechtshandeling, die een onrechtstreekse schenking tot stand brengt, dient te voldoen. Er zal derhalve nauwgezet moeten worden omgesprongen met de manier waarop dit wordt verduidelijkt.
Wat het voorwerp van een eventuele inbreng betreft, vermeldt het Hof, zoals in het reeds gekende arrest van 26 juni 2008: ‘ten aanzien van het kapitaal'. Het komt ons voor dat het Hof zo impliciet heeft aangegeven dat ook voor wat de inbreng betreft, het volledige kapitaal aan inbreng moet worden onderworpen. Hierbij kan echter het volgende worden opgemerkt: artikel 124 Landverzekeringswet werd voor wat de inbreng betreft, tot op vandaag niet ongrondwettig verklaard. Dit artikel blijft voor wat de inbreng betreft, dus in principe integraal van toepassing zodat een eventuele inbreng heden in principe nog steeds beperkt dient te blijven tot de premiebetalingen die kennelijk de vermogenstoestand van de verzekeringnemer te boven gaan. Een nieuwe prejudiciële vraag zal hier mogelijk een oplossing bieden.
Voor een meer uitvoerige bespreking van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 16 december 2010 en de vraag hoe dit arrest zich verhoudt tot het intussen gekende arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 juni 2008, kan worden verwezen naar de bijdrage van Guillaume Deknudt en Steven Seyns in de Nieuwsbrief Notariaat (2011, nr. 4-5, p. 5-10).
Reeds eerder wezen wij u op het (intussen gekende) arrest van het Hof van Cassatie van 10 december 2010 met betrekking tot de sterfhuisclausule. Wij gaven u daarbij mee dat de sterfhuisclausule sindsdien (ook) fiscaal ten volle kan worden geadviseerd vermits - zo stelt het Hof - de sterfhuisclausule ook voor wat het zgn. ‘surplus' betreft (i.e. het gedeelte boven de helft van de inbreng van de eerststervende, cf. art. 1464, tweede lid BW), niet aan de successierechten (op grond van art. 2 W.Succ.) kan worden onderworpen (aangezien het geen contractuele erfstelling uitmaakt).
In een (recent gepubliceerde) beslissing van 15 juli 2011 stelt de administratie echter dat zij voortaan elke sterfhuisclausule zal belasten ... ‘bij toepassing van artikel 5 van het Wetboek der Successierechten' ... (zij komt daarbij terug op haar eerder standpunt).
Deze beslissing kan geenszins worden gevolgd. Artikel 5 W.Succ. kan immers nooit een grondslag uitmaken om een sterfhuisclausule in de successierechten te belasten. Om op basis van artikel 5 W.Succ. te kunnen taxeren, zijn immers volgende drie elementen vereist: 1° een huwelijksovereenkomst die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is; 2° een toekenning van meer dan de helft van de gemeenschap en 3° een overlevingsvoorwaarde. Vermits de essentie van de sterfhuisclausule er precies in bestaat dat de verkrijging van het (volledige) gemeenschappelijk vermogen in geen geval afhangt van de voorwaarde van overleven, kan een dergelijke verkrijging in de successierechten in geen geval worden belast op grond van artikel 5 W.Succ.
Ook de argumentatie van de fiscus houdt geen steek. De administratie stelt (minstens impliciet) dat de sterfhuisclausule geen huwelijksvoordeel betreft (vermits deze kwalificatie volgens de administratie noodzakelijk afhangt van het bestaan van een overlevingsvoorwaarde) en besluit vervolgens dat de sterfhuisclausule noodzakelijk moet worden gelijkgesteld ... ‘met een vrijgevigheid bij toepassing van artikel 5 van het Wetboek der Successierechten' ... Hiermee spreekt de administratie zichzelf tegen. Immers, indien de administratie zelf aanneemt dat de sterfhuisclausule geen huwelijksvoordeel zou betreffen (hetgeen het Hof van Cassatie in zijn arrest van 10 december 2010 o.i. wél - minstens impliciet - heeft gesteld), kan a fortiori geen toepassing worden gemaakt van artikel 5 W.Succ., vermits deze (fictie)bepaling er precies (uitsluitend) toe strekt om de huwelijksvoordelen (onder bezwarende titel) in de successierechten te belasten. Ofwel wordt er dus aangenomen dat de sterfhuisclausule een huwelijksvoordeel betreft, en dan komt men binnen het toepassingsgebied van artikel 5 W.Succ. (maar is dit bij gebrek aan overlevingsvoorwaarde niet van toepassing), ofwel wordt er aangenomen dat de sterfhuisclausule geen huwelijksvoordeel betreft, maar dan valt men hoe dan ook buiten het toepassingsgebied van artikel 5 W.Succ. Maar stellen dat het geen huwelijksvoordeel zou uitmaken en alsnog artikel 5 W.Succ. erop toepassen, is volstrekt tegenstrijdig.
Afgelopen maand heeft het Franse Parlement enkele (al enige tijd aangekondigde) fiscale maatregelen goedgekeurd die van belang zijn voor de vermogende particulier. Hierbij springen vooral in het oog:
Meester Guillaume Deknudt
De organiserende instelling is M&D Seminars:
www.juristendagen.be
Meester Mark Delboo en Meester Guillaume Deknudt
De organiserende instelling is M&D Seminars:
http://www.mdseminars.be/nl/opleidingen/2010-10-07-actualia-onroerend-goed.html
Meester Guillaume Deknudt
De organiserende instelling is:
http://www.insert.be/nl/detail/training/165/580
Meester Guillaume Deknudt
De organiserende instelling is Conferentie Jonge Balie Oudenaarde
Meester Mark Delboo
De organiserende instelling is BNP Paribas Fortis
Wij zoeken medewerkers voor ons kantoor te Waregem die zich onderscheiden door hun goede academische resultaten en talenkennis (Nederlands, Frans, Engels).
U beschikt over het talent om een strikte professionele ingesteldheid en creativiteit, enthousiasme en praktische zin, gemoedelijkheid en professionalisme te combineren. Een aanvullende opleiding fiscaliteit vormt een troef die uitermate wordt geapprecieerd.
Van in het begin zal u in de vermogensplanning en de vermogensrechtelijke procedures worden ondergedompeld en zodoende een diepgaande kennis en praktijk terzake verwerven. Uw individuele verantwoordelijkheid voor de dossiers zal doorheen uw opleiding gestaag groeien.
U wordt verloond naar Brussels niveau.
Indien u meer inlichtingen wenst, aarzel dan niet ons een gemotiveerde brief en uw curriculum vitae toe te sturen of ons te contacteren:
Optimismelaan 1 B3
1140 Brussel
Tel: +32(2)502.59.87 – Fax: +32(2)502.83.06
Franklin Rooseveltlaan 172 - 172
8790 Waregem
Tel: +32(56)62.51.00 – Fax: +32(56)62.51.01
Paalsteen 5
9830 Sint-Martens-Latem
Tel: +32(9)220.51.10 - Fax: +32(9)281.18.80
email: info@delboodeknudt.be
Als onafhankelijk advocatenkantoor zijn wij gespecialiseerd in de begeleiding van vermogende particulieren. Daarbij zoeken wij steeds naar een cliëntgerichte oplossing voor de meest complexe juridische zaken. Eenvoudige oplossingen waar mogelijk, meer uitgekiende oplossingen indien vereist.
Onze ervaring, gekoppeld aan onze expertise en veelzijdige aanpak leiden tot een perfecte structurering van uw vermogen en een optimale verdediging in rechte.
Wij ontmoeten u graag in onze vestigingen in Brussel, Waregem en Sint-Martens-Latem.
Welkom bij Delboo Deknudt Advocaten.
Als onafhankelijk advocatenkantoor zijn wij gespecialiseerd in de begeleiding van vermogende particulieren. Daarbij zoeken wij steeds naar een cliëntgerichte oplossing voor de meest complexe juridische zaken. Eenvoudige oplossingen waar mogelijk, meer uitgekiende oplossingen indien vereist.
Onze ervaring, gekoppeld aan onze expertise en veelzijdige aanpak leiden tot een perfecte structurering van uw vermogen en een optimale verdediging in rechte.
Wij ontmoeten u graag in onze vestigingen in Brussel, Waregem en Sint-Martens-Latem.
Welkom bij Delboo Deknudt Advocaten.